vrijdag 15 februari 2013

Dood hout leeft


Staand dood hout op de Veluwezoom, een ruwe berk (Betula pendula)
Op het landgoed is veel dood hout te vinden, voornamelijk liggend dood hout. Dood hout is een belangrijk element in het ecosysteem. Veel diersoorten maken hier dankbaar gebruik van. Dood hout doet leven; er leven veel kleine organismen in dood hout zoals pissebedden, spinnen, larven en kevers. Een aantal vogelsoorten gebruikt dood hout als foerageerhabitat. Mooie voorbeelden zijn de zwarte specht (Dryocopus martius), kleine bonte specht (Dendrocopos minor), grote bonte specht (Dendrocopos major) en boomklever (Sitta europaea).

Ook dikke, oude bomen zijn voor een aantal fauna soorten onmisbaar. Op het landgoed zijn deze genoeg te vinden in de vorm van bijvoorbeeld dikke Beuken. Degene die tijdens een wandeling over het landgoed zijn ogen de kost geeft en/of zijn oren spitst, kan al snel oog in oog komen te staan met een boomklever of een grote bonte specht horen roffelen, deze twee soorten komen algemeen voor op het landgoed. De kleine bonte specht wordt ook regelmatig gezien op het landgoed, maar is een stuk schaarser. Een andere vogelsoort die het moet hebben van oude bomen, is de bosuil. Deze soort broedt net als spechten graag in dikke holle bomen. ’s Avonds kan men met geluk een bosuil horen roepen op het landgoed. Ook zoogdieren zoals vleermuizen en boommarter (Martes martes) zijn typische bewoners van oude bomen. De boommarter wordt een enkele keer gezien op het landgoed.

De laatste jaren zijn soorten zoals de boommarter, Bbomklever en bosuil bezig met een opmars in Nederland. Dit zegt iets over onze bossen, parken en landgoederen over het algemeen. Onze bossen worden ouder, en  het aandeel aan monumentale, dikke bomen op parken en landgoederen neemt toe. Op sommige landgoederen zijn bepaalde bomen aangewezen als monument en opgenomen in de monumentenwet. Dit betekend dat deze bomen niet zomaar beschadigd of weggekapt mogen worden. Beheerders van bos- en natuurgebieden werken vaker ‘rommelig’ en laten veel dood hout liggen en staan, wat gunstig uitpakt voor de biodiversiteit.
 
Tekst en foto: Willem Bosma

vrijdag 8 februari 2013

Mos on the rocks!

Nee.. Geen mos in een glas met ijsklontjes, maar mossen groeiend op steen.

In tegenstelling tot een aantal ‘allrounders’ hebben namelijk veel mos soorten een bepaalde voorkeur wat betreft hun standplaats. De ene soort is een typische  grondgebonden soort, de ander een zogenaamde ‘epifyt’. Epifytische mossen groeien op andere organismen (bijv. boomstammen) of overblijfselen daarvan (dood hout). Ten slotte zijn er ook mossen die juist een stenige standplaats prefereren. Deze mossen groeien vaak in een urbane omgeving, bijvoorbeeld op natuursteen (rotsblokken) en muren.

Ga maar eens kijken op de blokken bij de entree van de leveranciersingang, achter het schoolgebouw Hier zijn ,op een nog geen halve vierkante meter op het blok, al gauw vijf verschillende mossoorten te vinden (korstmossen niet meegerekend).

Een van de typische mossoorten van steen is de gesteelde haarmuts (Orthotrichum anomalum). Het mosje heeft zwartgroene blaadjes welke stervormig uitstaan en groeit in polletjes.  Opvallend zijn de eivormige sporenkapseltjes met spitsje welke net iets boven de blaadjes uitkomen (zie foto 1).

Daarnaast vind je op de rots ook gewoon muursterretje (Tortula muralis). Deze soort is  herkenbaar is als een laagblijvend mosje met glasharen (grijze haartjes). De langwerpig spitse sporenkapseltje zijn naar verhouding lang gesteeld (zie foto 2).

Het gewoon muisjesmos (Grimmia pulvinata) daarentegen heeft juist weer een kort, omgekrulde steeltjes met bolle kapsels. Voorts groeit de soort als een groen-grijs kussentje door zijn vele opvallende glasharen (zie foto 3).

Foto 1: Gesteelde haarmuts      
Foto 2: Gewoon muursterretje
Foto 3: Gewoon muisjesmos

Kortom, weer geen ijsvogel tegengekomen? Geen herkenbare planten meer te vinden? Werp je blik dan eens op de mossenwereld van Larenstein. Er zijn reeds zeker 100 soorten geïnventariseerd dus er is genoeg te zien!

Tekst en foto’s: Tim van de Vondervoort

Bron: Fotogids Mossen - Klaas van Dort- KNNV uitgeverij Zeist 2010

woensdag 30 januari 2013

Mosbloempje


Het mosbloempje (Crassula tillaea) zag ik voor het eerst op Texel en het intrigeerde mij. Ik heb er een tijdje naar moeten zoeken. Niet zo verwonderlijk, aangezien het hier de kleinste bloeiende landplant van de Nederlandse flora betreft! Eenmaal gevonden zag ik een mooi, zeer klein, rood aangelopen plantje. Doordat de bladparen, vooral aan de stengeltoppen, dicht opeen gedrongen zijn en dakpansgewijs op elkaar aansluiten, lijkt het plantje op een mos, vandaar de naam mosbloempje. 

Niet lang na mijn eerste kennismaking met de soort op Texel, kwam mij ter ore dat zich ook op Landgoed Larenstein een groeiplaats van deze -voor Nederland zeer zeldzame- plant bevindt. Langs een grindpad in de demotuinen, prijken vele exemplaren. Ook hier moet je in het begin best even zoeken, maar zodra je één exemplaar ontdekt, zie je al snel tientallen andere exemplaren. Deze zijn lang niet zo rood aangelopen als in bijvoorbeeld de duinen van Texel. Hoe droger de standplaats, des te roder kleurt het mosbloempje. De minuscule bloemen, die in kleine groepen in de bladoksel zitten, zijn alleen met behulp van een loep goed te zien. De plant groeit vooral aan de rand van paden, die in het voorjaar nat zijn en ’s zomers min of meer uitdrogen. Mosbloempje kan zowel in de volle zon als in de schaduw groeien. Op Landgoed Larenstein is naast de groeiplaats in de demotuinen, recent nog een groeiplaats gevonden op het grindpad bij de heuvel waar de toren met boom op staat. Het harken van paden kan bijdragen aan de verspreiding van mosbloempje: elk stukje dat op een geschikte plek blijft liggen, kan uitgroeien tot een nieuwe plant. Voor wie mosbloempje graag zelf wil bewonderen op het landgoed, is het het gemakkelijkst om met de rug naar de geit, welke in de demotuinen staat, het linker grindpad te bestuderen. Succes verzekerd!  

Tekst en Foto: Tamar Braaksma

vrijdag 25 januari 2013

Scandinaviërs op bezoek



Als je in deze tijd van het jaar door de tuin loopt dan is de kans groot dat de vogels die je tegenkomt uit Scandinavië afkomstig zijn. Vooral Lijsters (Turdidae) verlaten in het najaar hun geboortegrond om de winter in Nederland door te brengen. Afgelopen week kwam ik een Koperwiek (Turdus iliacus) tegen. Deze Lijster broedt voornamelijk in Scandinavië en Rusland. De Koperwiek is ongeveer even groot als de in Nederland broedende Zanglijster en heeft een duidelijke wenkbrauwstreep en een roestrode flank. Koperwieken foerageren vaak in graslanden, nu deze bedekt zijn met sneeuw zoeken ze de parken, tuinen en bossen op. De Koperwiek die ik in het kappelen bos tegenkwam zocht onder de bladeren naar voedsel. Ook eten Koperwieken graag bessen.


Een andere Lijster die in de winter Nederland bezoekt is de Kramsvogel (Turdus pilaris). De Kramsvogel is grijs/bruin gekleurd en groter dan de Koperwiek. Ook maakt deze Lijster een kenmerkend ‘’tjakkend’’ geluid. Kramsvogels komen op meer plekken in Europa voor, in Nederland broedden er zo’n 30-60 paar. Het grootste deel van de Kramsvogels broedt echter in Scandinavië met meer dan 3.5 miljoen paar! Kramsvogels foerageren ook in grasvelden. Nu daar weinig voedsel te vinden is zoeken ook Kramsvogels de bewoning op. Kramsvogels kun je nu ook in tuinen tegenkomen. Daar voeren ze een waar schrikbewind en verjagen ze alle andere vogels die op voerplekken afkomen. In de broedtijd is de Kramsvogel juist een koloniebroeder. Een kolonie Kramsvogels reageert snel op vijanden en verjaagt deze door ze onder te schijten (zie filmpje onder).

  
Ook Roodborstjes (Erithacus rubecula) trekken richting het zuiden in het najaar. ‘’Onze’’ Roodborstjes zijn al een tijd geleden richting het zuiden vertrokken. Hun plaats is ingenomen door hun Scandinavische soortgenoten. Naast de fietsenstalling op het schoolterrein loopt al een paar dagen een tam Roodborstje. Het is best mogelijk dat deze in een Scandinavisch bos geboren is en daardoor geen mensen gewend is.

                                                BBC Filmpje over Kramsvogels

Tekst en foto’s: Jurgen Rotteveel

Bron: 

- Sovon vogelonderzoek Nederland 2002 - Atlas van Nederlandse Broedvogels – KNNV – Leiden
- ANWB Vogelgids van Europa - Lars Svensson - ANWB Media Den Haag - 2010

www.sovon.nl
www.waarneming.nl

woensdag 16 januari 2013

Boomkruiper of toch klever?



Boomklever
In deze blog wil ik het hebben over twee vogelsoorten die beide op het landgoed te zien zijn. Namelijk de Boomkruiper (Certhia brachydactyla) en de Boomklever (Sitta europaea), twee vogels die vaak met elkaar verward worden maar eigenlijk best van elkaar verschillen. Ze klimmen weliswaar allebei over bomen maar qua uiterlijk en leefwijze verschillen ze van elkaar.


Boomklever
Allereerst de drukste van de twee, de Boomklever. De Boomklever is een kleine zangvogel met een blauw bovenlichaam, een oranje buik en een zwarte oogstreep. Boomklevers hebben een puntige snavel waarmee ze insecten onder schors vandaan halen, ook eten ze af en toe noten en zaden wat de Boomklever in Engeland de naam Nuthatch heeft opgeleverd. Boomklevers klimmen in tegenstelling tot de Boomkruiper zowel omhoog als omlaag langs bomen. Hierbij maakt hij gebruik van zijn sterke poten. Daarnaast komen Boomklevers ook geregeld op de grond om voedsel te zoeken tussen bladeren. Boomklevers nestelen vaak in nestkasten of in oude nestholen van spechten. De opening wordt dan soms kleiner gemaakt door modder rond de ingang te smeren. Dit doen ze om Spechten en Eekhoorns buiten de deur te houden.

Het geluid van de Boomklever is erg herkenbaar, tijdens het foerageren laten ze vaak hun luide roep horen. De Boomklever is sterk gebonden aan oude bossen, daarnaast zijn het standvogels die slechts kleine afstanden afleggen vanaf hun geboortegrond. Het grootste deel van de Boomklevers leeft op de Veluwe, sinds de jaren 70 zijn Boomklevers sterk uitgebreid richting Noord-Brabant, Limburg en Drenthe. In zeeklei gebieden komen Boomklevers amper voor omdat hier weinig geschikte bos is en de vogels kleine afstanden vliegen.



Boomkruiper
Dan nu de Boomkruiper. Boomkruipers zijn erg onopvallend en je moet goed opletten om er eentje te kunnen zien. Boomkruipers zijn bruin en hebben een witte buik. De snavel is pincetvormig en zeer geschikt om insecten en spinnen tussen schors en bast vandaan te halen. Boomkruipers klimmen altijd omhoog langs de boomstam, hierbij leunt ie, net als spechten, op zijn staart. Een omhoog klimmende Boomkruiper lijkt wel een beetje op een muisje dat tegen de boom opklimt.

Ook de Boomkruiper is een vogel van oude loofbossen maar komt ook buiten bosgebieden voor. Boomkruipers nestelen o.a. in boomholte ’s, maar ook gebouwen bieden een geschikte broedplek. Zo zag ik een keer dat een paartje Boomkruipers een nest had gebouwd achter de ventilatieopening van een boerderij. Landelijk ligt het aantal Boomkruipers tussen de 80.000 en 120.000 paar en dit aantal neemt ligt toe.
Rond deze tijd van het jaar laten Boomkruipers zich van hun meest sociale kant zien. Om warm te blijven zoeken ze elkaar op en slapen ze dicht tegen elkaar zodat er een bolletje van Boomkruipers ontstaat.

Geluid van Boomklever: http://waarneming.nl/soort/sounds/70
Geluid van Boomkruiper: http://waarneming.nl/soort/sounds/71
Foto van slapende Boomkruipers: http://agami.nl/index.gallery.php?gid=76&img=9

Tekst en foto’s: Jurgen Rotteveel

Bron: 
- Sovon vogelonderzoek Nederland 2002 - Atlas van Nederlandse Broedvogels – KNNV – Leiden


dinsdag 27 november 2012

Vos bezoekt het landgoed


Het landgoed Larenstein wordt bevolkt door veel verschillende diersoorten. Een aantal dieren laat zich echter overdag niet zien. In zo’n geval komt een cameraval goed van pas. Om voor de open dag van zaterdag 10 november wat leuke beelden te laten zien van dieren op het landgoed plaatsten we een cameraval. Een plaats waar een duidelijke wissel (pad gebruikt door dieren) aanwezig is bood een goede mogelijkheid. Na het neerleggen van kattenvoer als lokmiddel was het afwachten welke dieren er voor de lens van de camera zouden verschijnen.

Toen Floris de camera zaterdagochtend weer ophaalde stond er een heuse Vos op de foto! Gelokt door de geur van het kattenvoer kwam het dier voor de camera om het kattenvoer op te eten. De Vos (Vulpes vulpes) familie van de hondachtigen (Canidae) komt (op de waddeneilanden na) in heel Nederland voor en is ook qua leefgebied niet kieskeurig. Zo kun je Vossen zien in de duinen, in gebieden met landbouw, op de heide, in bossen en soms zelfs in dorpen en steden! Vossen zijn iets groter dan een flinke kat en lijken in de winter door de dikke vacht behoorlijk groot. De Vos is een alleseter, hij eet zowel dierlijk als plantaardig voedsel en heeft per dag een behoefte aan 500 gram voedsel. Ook zijn er Vossen die zich specialiseren op een bepaalde voedselbron bijvoorbeeld weidevogels of (Grauwe) ganzen. Een vossenpaartje deelt een territorium, de grootte van dit territorium varieert tussen de 100 en 400 ha. Het voedselaanbod is bepalend voor de grootte van een territorium, het is dus best mogelijk dat de Larensteinse Vos ook andere gebieden in de omgeving bezoekt.

Een aantal gebieden waar je gemakkelijk Vossen kunt zien zijn vooral de Duinen. In de Amsterdamse waterleidingduinen zijn de Vossen erg tam, dit komt omdat ze gevoerd worden door de vele bezoekers en fotografen die het gebied bezoeken. Een ander gebied waar je makkelijk een Vos kan zien is de Oostvaardersplassen.


Tekst: Jurgen Rotteveel

Foto en film: Floris Moolenbeek.

Bron: www.zoogdiervereniging.nl – www.waarneming.nl